Blind typen begint vanuit één houding. De linkerhand neemt A, S, D en F; de rechterhand neemt J, K, L en de puntkomma. Elke vinger krijgt één toets en blijft daar.
A S D F J K L ;
Op de F- en de J-toets zit een klein bobbeltje of streepje. Dat is gemaakt voor de handen, niet voor de ogen: de wijsvingers vinden het bobbeltje op de tast en de andere vingers gaan ernaast liggen. Zo leg je je handen terug op het toetsenbord zonder naar beneden te kijken.
Na elke aanslag gaat de vinger meteen terug naar huis. Dat maakt het systeem snel: elke letter ligt altijd even ver weg en de hand hoeft nooit opnieuw haar plek te zoeken.
Deze acht toetsen zijn de basis voor alles wat volgt. Elke nieuwe toets vind je vanaf zijn thuistoets: één stap omhoog, omlaag of opzij.
De oefening gebruikt alleen deze acht tekens. Kijk naar het scherm, niet naar je handen: het toetsenbord onder de oefening laat zien welke vinger als volgende drukt, en dat lees je sneller af dan je eigen handen.