De bovenste letterrij volgt precies dezelfde logica als de thuisrij: elke vinger reikt naar de toets boven zijn thuistoets en komt meteen terug.
a → q s → w d → e f → r en t
De toetsen liggen niet precies boven elkaar, want de rij is een beetje naar links verschoven. Om bij de toets boven zijn thuistoets te komen, gaat de vinger dus omhoog en iets naar links. Die hoek hoef je niet uit je hoofd te leren; de hand leert hem vanzelf, zolang de handen recht voor het toetsenbord staan en de polsen niet op het bureau rusten.
De wijsvingers krijgen weer elk twee toetsen: de linker neemt R en T, de rechter Y en U.
De oefening gebruikt alleen letters uit de bovenste rij. Breng de vinger na elke letter terug naar zijn thuistoets, ook als de volgende letter uit dezelfde rij komt: thuis is de plek waar elke beweging begint.