De thuisrij heeft acht thuistoetsen, maar naast F en J liggen ook G en H. Om die te bereiken stapt de wijsvinger één toets naar binnen en komt meteen terug.
f → g j → h
De hand als geheel beweegt niet. Alleen de wijsvinger gaat op pad; de andere drie vingers blijven op hun toetsen en houden de hand op haar plek. Gaat de hele hand mee, dan is de weg terug lang en komt de volgende letter te laat.
De wijsvinger is de sterkste en snelste vinger, en daarom krijgt hij twee kolommen. Hetzelfde patroon zie je terug in de bovenste rij en de onderste rij, waar de wijsvinger weer twee toetsen neemt.
De oefening heeft maar vier letters, want de hele les is één beweging: naar binnen en meteen terug.