In gewone tekst wisselen de handen ongeveer na elke tweede letter. De ene hand kan haar volgende beweging klaarzetten terwijl de andere nog drukt, en die afwisseling maakt typen snel.
Sommige woorden vallen echter helemaal op één hand. Dan is er geen afwisseling en moet dezelfde hand elke beweging maken, de een na de ander.
links: bedrag rechts: minimum
Zulke woorden gaan trager en er sluipen meer fouten in. Ze zijn ook de eerlijkste maatstaf die je hebt: is één hand minder geoefend, dan zie je dat hier meteen, want de andere hand kan niet bijspringen.
Is het verschil groot, oefen dan de hand die achterblijft in plaats van beide evenveel. Meestal is dat de linker, met haar ringvinger en pink.
De oefening mengt woorden voor beide handen. Let op bij welke hand je meer hapert. Voor het omgekeerde geval, waarin de handen na elke letter wisselen, zie de volgende les.