Aftrekken voelt makkelijk, en juist dat maakt het gevaarlijk: waar je moet lenen, haast je je en gaat het mis. Maar lenen is helemaal niet nodig.
52 − 38: 38 → 40 is 2, 40 → 52 is 12, samen 14
Het verschil vind je in twee stappen, die je daarna bij elkaar optelt. Vul eerst het kleinste getal aan tot het volgende tiental, met een vriendje van tien. Tel daarna verder tot het grootste getal, wat eenvoudig is omdat je uit je hoofd makkelijk met hele tientallen werkt. Tel tot slot de twee afstanden bij elkaar op.
Met kleine getallen werkt het net zo. Bij 13 − 5 is 5 → 10 vijf en 10 → 13 drie, samen 8.
Het gaat bij deze techniek niet om snelheid. Het gaat erom dat je nergens hoeft te lenen. Elke stap is een optelling, en optellingen gaan betrouwbaarder.
Bij veel aftreksommen moet je lenen, dus dit verdient zich snel terug. De oefening geeft alleen sommen waarbij je zou moeten lenen, en vraagt alle drie de stappen apart: hoeveel er nodig is tot het volgende tiental, de stap van daar naar het grootste getal, en hun som.