Als de deler samengesteld is, hoef je er niet in één keer door te delen. Ontbind hem in factoren en deel twee keer na elkaar, telkens door een getal dat kleiner is dan de deler:
342 : 6 → 342 : 2 = 171 → 171 : 3 = 57
Zes is twee keer drie, dus halveer eerst en deel daarna door drie. Beide stappen zijn makkelijker dan in één keer door zes delen.
384 : 12 → 384 : 4 = 96 → 96 : 3 = 32
Twaalf is vier keer drie. En delen door vier is zelf twee keer halveren, dus eigenlijk komt het geheel neer op drie heel makkelijke stappen.
Welke delers je kunt ontbinden. 4 is 2 × 2, 6 is 2 × 3, 8 is 2 × 4, 9 is 3 × 3, 12 is 4 × 3, 14 is 2 × 7, 15 is 3 × 5, 16 is 4 × 4, 18 is 2 × 9, 21 is 3 × 7. Priemgetallen kun je niet ontbinden, dus 7, 11, 13, 17 en 19 moet je in één keer nemen.
Welke factor eerst. Als een factor twee of vier is, begin daar dan mee, want halveren is de makkelijkste stap en het maakt de getallen meteen kleiner. Begin anders met de kleinste factor.
De oefening geeft een samengestelde deler en vraagt beide stappen apart. De uitkomst is precies dezelfde als bij delen in één keer, alleen gebruikt elke stap een eenvoudigere deler.