De meeste letterparen zijn verdeeld over twee vingers, vaak over twee handen, dus ze komen bijna tegelijk: de tweede vinger is al onderweg terwijl de eerste nog drukt. Sommige paren vallen echter op één en dezelfde vinger, en dan valt er niets te overlappen. De vinger moet de eerste toets loslaten, naar de tweede gaan en pas dan drukken.
e en d i en k o en l
Dit zijn voor elke typist de traagste plekken, en meestal precies de plekken waar een hele regel stokt. Dat is makkelijk te meten: ‘minimum’ en ‘december’ gaan merkbaar trager dan even lange woorden waarvan de letters tussen de handen afwisselen.
Eén ding helpt: beweeg de vinger, niet de hand. Gaat de hand mee, dan moeten de andere vingers daarna hun plek weer vinden en wordt één trage plek er drie.
Vanaf een bepaald punt worden deze niet meer sneller, en dat is te verwachten. Het doel is dat ze niet meer stokken, niet dat ze net zo snel gaan als de rest.
De oefening geeft je de paren los, zonder woord eromheen. In echte tekst kom je ze tegen in woorden: ‘minimum’, ‘uniek’, ‘december’, ‘olie’.