Halveren en verdubbelen zijn de twee makkelijkste bewerkingen die je uit je hoofd kunt doen. Daar komen twee technieken uit voort.
Vermenigvuldigen met vijf. Vijf is de helft van tien, dus vermenigvuldig met tien en halveer:
34 × 5 = 340 : 2 = 170
Hetzelfde idee gaat verder: ×50 is ×100 en halveren; ×25 is ×100 en delen door vier. 34 × 25 = 3400 : 4 = 850.
Halveer de ene, verdubbel de andere. Het product verandert niet als je de ene factor halveert en de andere verdubbelt. Zo wordt een lastige som een makkelijke:
18 × 45 = 9 × 90 = 810
De kunst is kiezen welke kant je op gaat. Halveer de factor die even is en verdubbel de factor die daardoor rond wordt. 16 × 25 wordt 8 × 50 en daarna 4 × 100, en dat is 400.
Je kunt de omzetting herhalen tot de som zo makkelijk is als hij maar kan worden.
De oefening mengt alle vier de vormen: vermenigvuldigen met vijf, met vijftig en met vijfentwintig, en de omzetting waarbij de ene factor wordt gehalveerd en de andere verdubbeld.