Voordat je aan een deling begint, loont het om te weten of hij wel precies uitkomt. Daar zijn regels voor, en de meeste kun je in één oogopslag controleren.
2 — het laatste cijfer is even.
5 — het eindigt op nul of vijf.
10 — het eindigt op nul.
Die drie herken je meteen en daarvoor hoef je niet te oefenen.
3 — de cijfersom is deelbaar door drie. Bij 531 is dat 5 + 3 + 1 = 9, en negen is deelbaar door drie, dus 531 ook.
9 — de cijfersom is deelbaar door negen. In hetzelfde voorbeeld: 9 is deelbaar door negen, dus 531 is ook deelbaar door negen.
6 — deelbaar door zowel twee als drie.
4 — de laatste twee cijfers vormen een getal dat deelbaar is door vier. Bij 1316 kijk je alleen naar 16, dat deelbaar is door vier, dus 1316 ook.
Als de cijfersom zelf groot is, herhaal je de stap: bij 4527 is het 4 + 5 + 2 + 7 = 18 en daarna 1 + 8 = 9, dus 4527 is deelbaar door negen.
Hetzelfde idee van de cijfersom komt terug op de pagina vermenigvuldigen met negen, waar je er het antwoord mee controleert.
De oefening gaat over de deelbaarheidsregels voor drie en negen, want daarbij moet je de cijfers optellen. Elke som vraagt eerst de cijfersom en daarna het quotiënt, dus eerst controleer je en dan deel je.