Elk getal van twee cijfers kun je in het kwadraat brengen met één makkelijke vermenigvuldiging en één optelling. Stap de ene kant op naar een tiental en evenveel de andere kant op, vermenigvuldig de twee getallen waar je uitkomt en tel het kwadraat van de afstand erbij op:
47² = 44 × 50 + 3² = 2200 + 9 = 2209
Van 47 is het drie stappen omhoog naar vijftig, dus de andere factor gaat drie stappen omlaag, naar 44. Het product 44 × 50 is makkelijk omdat één factor een tiental is.
63² = 60 × 66 + 3² = 3960 + 9 = 3969
Hier ligt het tiental eronder, dus gaat de andere factor juist omhoog.
Dit is het verschil van twee kwadraten achterstevoren. Daar kende je het midden van de twee factoren en wilde je hun product; hier ken je het getal dat in het kwadraat moet en maak je er een product van met één ronde factor.
Voor getallen die op vijf eindigen is er een nog eenvoudigere regel, dus die komen hier niet voor.
Omdat getallen die op vijf eindigen apart worden behandeld, is de afstand tot het dichtstbijzijnde tiental hoogstens vier, dus het kwadraat dat je erbij optelt is hoogstens 16. Al het werk is één vermenigvuldiging met een ronde factor erin, plus een klein kwadraat erbij optellen.