Als de twee factoren even ver van hetzelfde getal liggen, kun je het product uitrekenen met twee kwadraten en één aftrekking. Neem het getal in het midden, kwadrateer het en trek het kwadraat van de afstand ervan af:
18 × 22 = 20 × 20 − 2 × 2 = 400 − 4 = 396
18 en 22 liggen allebei twee van twintig af. Twintig in het kwadraat is 400, twee in het kwadraat is 4, en het antwoord is 396.
47 × 53 = 2500 − 9 = 2491
Hoe je het herkent. Meestal is het midden van zo'n paar rond. De snelle manier: als het ene getal evenveel onder een rond getal ligt als het andere erboven, past de techniek. 18 en 22, 47 en 53, 96 en 104.
De techniek werkt het best als de afstand klein is, want dan is het kwadraat dat je aftrekt heel klein. Bij een afstand van twee hoef je er maar vier af te halen.
Het midden hoeft geen tiental te zijn, alleen een getal waarvan je het kwadraat kent. 23 × 27 is 625 − 4, en dat is 621, want 25 in het kwadraat is 625.
De oefening geeft altijd een paar waarvan het midden een tiental is en vraagt de drie stappen apart. In een echte som moet je het paar zelf herkennen, en daar zit al het werk van deze techniek.